Pers 2014

2014-1

  • Stefan Hertmans schrijft na bestseller Oorlog het Poëziegeschenk 2016 en u leest hem ook in het themanummer over oorlog van Het Liegend Konijn. (NRC, 3 juni 2015)
  • De jarige premier Charles Michel krijgt in het VTM Nieuws “Alle malen zal ik wenen” cadeau. (VTM, 26 december 2014, vanaf 1’30”)
  • “Voor allen die een vlootschouw willen van de hedendaagse poëzie in Vlaanderen en Nederland is deze aflevering van Het Liegend Konijn hoe dan ook een absolute must.” (DW & B, juni 2014)
  • “Zodoende zorgt het tijdschrift misschien wel voor de intelligentste, meest serene oorlogsherdenking uit het hele, overbeladen pakket. Alleen al daarvoor verdient deze editie van Het Liegend Konijn hulde.” (Knack, 29 maart 2014)
  • “Verrassende worp van gedichten van de beste actuele dichters uit ons taalgebied… (Poëziekrant, Stefan van den Bossche, 6/2014, p. 64-65)
  • “Prachtig! Een editie tegen het vergeten van dat, wat niet vergeten mag worden.” (Literair Nederland, 23 april 2014)
  • “Dat liefde en dood tot hun verbeelding spreken, is niet verwonderlijk. Maar dat het thema ‘oorlog’ meer dan honderd dichters inspireerde, is opzienbarend.” (…) “Dit is een boek dat de lezer wakker houdt, net als de oorlog zelf.” (Cobra.be, 10 april 2014)
  • “Intense creativiteit.” (Ooteoote, 7 april 2014)
  • “Met deze dikke, prachtige bloemlezing kunnen we in elk geval lang verder.” (De Morgen, 2 april 2014)
  • Recensie van Joris Gerits. (Streven, november 2014, p. 940-946)
  • “Authentiek vitalisme…” (Tertio, 20 augustus 2014)
  • “Oorlog en hoe het te verwoorden…” (Rondom, 26 maart 2014)
  • Opname van vier gedichten uit het themanummer over oorlog
    van Het Liegend Konijn. (NRC Boeken, 28 maart 2014)
  • Opname en bespreking van het gedicht “Geen ding” uit het themanummer over oorlog van Het Liegend Konijn. (De Standaard, 21 maart 2014)
  • “Kaïn sloeg Abel – door Joop Leibbrand, Kort na elkaar las ik twee bloemlezingen uit en over WO I: het door Geert Buelens samengestelde De 100 beste gedichten van de Eerste Wereldoorlog (Ambo 2014) en Tom Lanoye’s heruitgegeven vertalingen en bewerkingen van gedichten in Niemands Land/Overkant (Prometheus 2014). Vervolgens belde de post aan voor de bezorging van het oorlogsnummer van Het Liegend Konijn. Een dikke 400 bladzijden, moest ik die nu ook nog allemaal lezen? Ik was eigenlijk al meer dan verzadigd en bijgevolg vochten plicht en tegenzin een kleine oorlog uit. Niet voor het eerst trouwens…
    Het moet voor Jozef Deleu een waagstuk geweest zijn, het samenstellen van dit themanummer naar aanleiding het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, omdat Het Liegend Konijn ook nu wilde vasthouden aan de eis dat uitsluitend nieuw werk wordt opgenomen. Bij een vrije inzending kiest een redacteur naar believen, maar als gedichten op verzoek of in opdracht geschreven worden, moet maar worden afgewacht wat het niveau is van wat wordt aangeleverd. Dat is, zeg ik maar meteen, verrassend hoog. Hoe Deleu het voor elkaar heeft gekregen weet ik niet, maar hij heeft bij veel van zijn auteurs het beste naar boven gehaald. Gewoon omdat ze hem niet teleur wilden stellen?
    Oorlog bevat 383 gedichten (vaak in cyclusvorm) van 112 dichters uit Nederland en Vlaanderen. Omdat het dus allemaal recent werk is, is de bundel meteen ook een mooie momentopname van het huidige poëtische landschap. Dat ziet er aantrekkelijk uit. Opvallend vaak is de Eerste Wereldoorlog op de een of andere manier het onderwerp van het gedicht, maar natuurlijk gaat het ook regelmatig over de oorlogen daarna. WO II, maar ook Srebenica, Fallujah, Damascus, de Twin Towers, Afghanistan en het werk van Drone-piloten komen voorbij. Soms gaat het ook over vrede. Minder vaak dan ik had verwacht wordt de oorlog metaforisch gebruikt, bijvoorbeeld voor een generatieconflict of huwelijksperikelen, of een strijd die diep in jezelf woedt. Anna Enquist is een van de weinigen die dat weet op te roepen, in gedichten die vanuit een zorgende, vrezende innerlijke onrust lijken te zijn ontstaan.
    De bundel is alfabetisch op schrijversnaam samengesteld en daarom opent Arnoud van Adrichem en sluit Ad Zuiderent. Deleu heeft daarmee bepaald samenstellersgeluk, want bij de eerste lezen we actueel over een vluchteling die aanspoelt en indien hij een gelukszoeker blijkt te zijn, zal worden teruggestuurd. ‘Zegt de wet: alleen oorlog vormt grond voor verblijf.’ Die regel had het motto van het boek kunnen zijn. Het slot is ook zeer toepasselijk, want de laatste vier woorden van Zuiderents gedicht en dus van de bloemlezing luiden: ‚schrijf oorlog goed af.’
    Een bundel als deze laat zich verder nauwelijks bespreken. Laat ik me beperken tot het noemen van de dichters wier bijdragen me speciaal troffen, en tot een enkel citaat.
    De vijf gedichten van Mischa Andriessen over WO I zijn al meteen een hoogtepunt; aan hem is een uitstekende War Poet verloren gegaan. Huub Beurskens valt op, o.a. met een regel als ‘Ik kan nog doden, dus ik leef.’ Verrassend zijn de gedichten van Frans Budé over Apollinaire, Hemingway, Blaise Cendrars, Alain Fournier en Wilfred Owen, allen gewond of gesneuveld. Ik was extra nieuwsgierig naar Tom Lanoye, Stefan Hertmans en Geert Buelens en vooral de laatste stelt niet teleur:

    ‘MEMORIALEN’

    Er moest iets gebeuren 
    maar ditGrensoverschrijding, karaktervorming 
    en steeds minder laten te gevoelensWat het allemaal losmaakte
    aan volksbewegingen, leercurves
    regionale ontwikkeling

    Er ontstond iets dat een wereld op zich vormde
    om die nadien kapot
    te maken

    Geert van Istendael noemt in een korte cyclus liefst vijftien beladen locaties, van Nagasaki, Verdun, Oradour en Kigali tot Passendale en stelt vast: ‘het moorden is herhalen en herhalen’. Aansprekend cynisch is Anton Korteweg:

    ALLES WORDT MINDER

    Kaïn sloeg Abel. Dat schoot op.
    Niemand meer over zowat.
    Die miljoen mannen bij Ieper:
    druppel op gloeiende plaat.

    Verder enkele mooi gedichten van Lucas Hirsch, eigenzinnige, onnavolgbare gedichten van Delphine Lecompte, ingenieuze twaalfstemmige tekstmuziek van Rosalie Hirs, er is te veel om op te noemen. Er staan er ook diverse voor mij volstrekt nieuwe dichters in de bundel en daarbij is de grootste verrassing Sebastiene Postma, die met grote beheersing en een superieur soort vanzelfsprekendheid schrijft. Ik voorspel haar een grote toekomst.” (Meander, literair e-zine, 10 mei 2014)

  • “Oorlog inspireert dichters intens – Recensie door Ingrid van der Graaf. – Het Liegend Konijn, waarvan elke editie tot nu toe, in wisselende kleur uitgave en standaard ontwerp verscheen, draagt voor het eerst in de twaalf jaar dat het onder het bezielende redacteurschap van Jozef Deleu verschijnt, een thema. Dit jaar is het honderd jaar geleden dat op 28 juli 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Voor Deleu aanleiding om het themanummer ‘Oorlog’ samen te stellen met de titel, Alle malen zal ik wenen, een citaat uit Leo Vromans (1915-2014) meest geciteerde gedicht Vrede.
    Zal dit nummer dan uitsluitend ‘niet eerder gepubliceerd werk’, van dichters bevatten die ‘het’ nog hebben meegemaakt (of op zijn minst in naoorlogse jaren zijn geboren) en waarvan nu de nagebleven gedichten boven water zijn gekomen? Want wat zouden hedendaagse dichters over dit thema te melden hebben? Oorlog is, voor wie op Nederlandstalig grondgebied leeft, een ‘ver van mijn bed show’. Vluchten, om het vege lijf te redden is er niet meer bij. We leven, zoals Arno Van Vlierberghe stelt (met Lieke Marsman jongste dichters in deze editie) het leven van nu, waarin ‘niet doodgaan’ als hoogste doel wordt gesteld. Maar ook deze editie bevat uitsluitend nieuw werk van Nederlandstalige dichters, gemaakt op verzoek van Deleu.
    Het was enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog dat de filosoof en kunstcriticus Theodor Adorno (1903-1969) stelde dat het barbaars was om na Auschwitz nog een gedicht te schrijven. Niet dat hij hiermee beweerde dat er nooit meer poëzie bedreven kon worden. Hij doelde vooral op het feit dat naoorlogse dichters geen lichtzinnige maar vooral geen onschuldige poëzie meer kunnen schrijven.
    Dat was ook wat er te voelen was in het pakket dat door de post bezorgt werd, de zwaarte van een onvergankelijk thema dat schuld en boete in zich draagt. Het paste niet door de brievenbus en de postbode overhandigde het, als was het een flinke homp (desem)brood. Honderdentwaalf dichters schreven samen 383 gedichten, geïnspireerd op de Groote oorlog. De opdracht is met een zeer groot inlevingsvermogen uitgevoerd en toont een grijs palet aan aangrijpend leed, berekenende overlevingskunst en een ondergaan van het lot. Laten we maar gelijk met de deur in huis vallen met de drieluik Geen ding, van Eva Gerlach (1948). Waarin het leven tot op het bot is terug gebracht, ontdaan van emoties en de mens verworden tot een ‘ding’. Waarin het enige dierbare een wapen is, gekoesterd als een geliefde.
    ‘Geen ding / 1//Toen iedereen dood was begon ik voor mezelf / met mijn AK 47 mijn broertje van staal, //niemand komt me hier wassen en kammen en ik hoef voor niemand / meer hout te halen, alles komt van de soldaten // die van me houden omdat ik geluk breng en goed / kan mikken met de granaten // Daar voor ons ligt de stad waar niemand meer woont / en ik kijk van hoog, stel mijn broertjes oog af op de daken, // (…) // Mijn broer is zo groot als ik maar ik hou hem goed vast / op mijn schouder waar hij kan slapen (…)
    2 // Iemand vraagt om water, ik heb geen water./ Iemand heeft het koud ook al heeft ze het warm. / Ze lag naast me dood te gaan maar ze leeft nog, ik wilde/ maar dat ze dood was. (…) ze wil het gordijn dicht / maar er is geen gordijn. Ze doet haar ogen dicht voor / de zon die niet schijnt, ze telt alle vogels / die er niet zijn, ze doet hun geluid na, ik hoor het / ik hoor hun lippen trillen in de nacht.
    3 // In de kelder hield ik mijn zusje op schoot. Ze was / pas vier. Ik legde mijn handen over haar oren / zodat ze de harde klappen niet zou horen / (…) Toen we buiten kwamen en alles kapot was en overal armen en benen / huilde ze niet ze zei niets ze verstopte zich / (…) toen kwamen de mannen toen werd het / zo dat de dingen ons niet meer kenden. Geen ding. / (…)’
    Divers zijn de invalshoeken. Zelfmoordaanslagen als deel van een oorlog die nogal eenzijdig gestreden wordt. Bernard Wesseling (1978) dichtte daarover: ‘Dus dit is zijn optrekje, hier helemaal boven. Gezellig is anders. / En kijk, pamfletten boven zijn bed. Goed , bands, maar toch. (…) Wat stopt hij nou in zijn jas? En waarom gaat hij nu zitten? / Hand omhoog als je denkt aan een afscheidsbrief!’ En dan zijn er de games, waarbij men van het doden niet genoeg kan krijgen en Astrid Lampe inspireerde tot de volgend strofe: ‘(…) Nog wordt hier zwartnacht / de muur van papier / en speelt de gameverslaafde / mijnenvegertje’.
    En soms is de geschiedenis zichzelf al genoeg zoals voor Frans Budé, die schreef over het verwonde hoofd van Guillaume Apollinaire (1880-1918). De scherven uit het been van Ernes Hemingway, de afgehakte arm van Blaise Cendrars, de laatste seconden van Alain-Fournier en de dood van Wilfred Owen op 4 november in 1918.
    Saillant detail is dat de Groote oorlog, na honderd jaar nog steeds zijn sporen nalaat en slachtoffers maakt. Dit jaar werd in Ieper een depot met duizenden granaten ontdekt en op 19 maart ontplofte, bij de aanbouw van een fabriek, een granaat waarbij twee mensen om het leven kwamen. Dit bracht de dodelijk getroffen slachtoffers van na 1918 op driehonderdvijftig. Oorlog houdt zich schuil in alle kieren en uithoeken van deze aardkloot en na het lezen van vele van deze gedichten komt het besef, dat de hele mensheid doortrokken is van oorlogsleed. Of zoals Ellen Deckwitz dit veelbetekenend verwoordde in haar gedicht 1948, Siboga / ‘(…) de doden groeien met je mee. En we noemen / het pas afgesloten als we er niet meer bij kunnen.’ Prachtig! Een editie tegen het vergeten van dat, wat niet vergeten mag worden.” (Literair Nederland, Literairnederland.nl, 23 april 2014)
  • OORLOG – HET LIEGEND KONIJN – door Paul Demets, do 10/04/2014 – Sommige onderwerpen hebben blijkbaar een grote urgentie voor dichters. Dat liefde en dood tot hun verbeelding spreken, is niet verwonderlijk. Maar dat het thema ‘oorlog’ meer dan honderd dichters inspireerde, is opzienbarend, vindt Paul Demets.

    Ieper 2014 – Charles Ducal

    Tegen het sentiment van de modder,
    de romantiek van de kou,
    het nostalgische vocht in longen en botten,
    het klaroengeschal van honderd jaar oudwordt het oorlogsmuseum gesloten,
    het soldatenkerkhof verkaveld of omgeploegd,
    het koor van klaprozen afgebroken.
    de novemberparade verboden, voorgoed.Dan openen zich misschien toch de graven
    op zo’n manier dat het werkelijk voelt,
    dat door onze slaap de lijken marcheren
    als bloeiende knapen, op weg

    naar Ituri, Aleppo of Khulm.

    De Antwerpse dichter Hugues C. Pernath, die onder andere indringende gedichten schreef over de indrukken die hij opdeed door het concentratiekamp van Auschwitz te bezoeken, zei in een interview dat engagement voor hem betekende ‘uit de onverschilligheid loskomen. Onverschilligheid is het ergste wat er bestaat.’ De honderdentwaalf dichters uit Vlaanderen en Nederland, die ingingen op de vraag van Jozef Deleu om mee te werken aan het themanummer van zijn poëzietijdschrift Het Liegend Konijn, laten duidelijk zien dat zij hun schouders niet ophalen.
    Bij Stefan Hertmans wordt de beschrijving van een vlot in Tervaete, in de buurt van Stuivekenskerke, niet alleen een verwijzing naar de plek waar graaf Henri d’Oultremont en zijn troepen in 1914 de Duitsers probeerden terug te dringen, maar ook naar het vlot van de Medusa, waarop we allemaal een plek zoeken: ‘Daar ligt iets dat ooit vorm/ had en niet meer beweegt,/ het glijdt geluidloos uit de wereld weg.// Het drijft en blijft. Het draagt de velen/ die nog zullen volgen zonder morren,/ zonder vorm.’
    Sommige dichters dragen het verhaal van hun ouders of grootouders verder. De Amerikaanse literatuurprofessor Marianne Hirsch heeft het over ‘postmemory’: wie een oorlog zelf niet heeft meegemaakt, maar de ouders of de grootouders er vaak hoort over vertellen, kan zodanig bepaald zijn door de verhalen, dat die verhalen een soort traumatische herinneringen worden voor wie ze doorvertelt. In de cyclus ‘Geleden familieverleden’ lezen we ‘Niemand te omarmen/ wordt de herinnering/ een mes// Ik ken dat schonkige lichaam/ want zoals vader erf ook ik/ het lijf dat uit je stak’.Perspectieven
    Peter Holvoet-Hanssen maakt gewoontegetrouw schrijnende muziek uit de pijn van generaties en locaties: ‘Kom, oude strijder, uit je krib –mee/ met je uitgebluste kijkers uit W.O. II/ de snee in je rafelvel – de waarheid schrikt/ gestikt in het mosterdgas van Halabja/ we zuchten: angst uit Kandahar krijg vleugels/ bezweren: scherven van Kaboel verzamel u/ we huilen als de moskee van Ras al-Ain/ met de prikkeldraadtranen van Seré Kaniyê/ do: zo kondigt zich het aan/ sol: de wolkenschepen die vergaan.’
    Het valt op hoe het thema ‘oorlog’ vanuit allerlei perspectieven bekeken wordt en de dichters niet alleen de gruwelen van de Groote Oorlog in herinnering brengen. Sylvie Marie heeft het over de rol van de media: ‘we blijven gestationeerd zolang er iets gebeurt/ of zolang ze het thuis willen horen.’ Roland Jooris bekijkt ‘oorlog’ op een universeel, maar tegelijk persoonlijk niveau: ‘tot tranen bewogen/ verbijten we het bloeden/ van een omzwachtelde tijd// Het doordrenkt ons’. De onlangs overleden ouderdomsdeken Leo Vroman schreef vorige zomer nog dat oorlog ook te maken heeft met de agressie die in ieder van ons zit: ‘dus iedereen, bemin elkaar/ om die mooie hersens, maar/ zo vreselijk licht verstoord// in een minimum van tijd/ springen ze van lieflijkheid/ naar massamoord.’ Wat Astrid Lampe schrijft, ligt in het verlengde hiervan: ‘nog wordt hier zwartnacht/ de muur van papier/ en speelt de gameverslaafde/ mijnenvegertje’.
    Link met nu
    Meerdere dichters slaan een brug tussen oorlogen en tijdperken en wijzen op die manier op het feit dat dood en vernieling nooit gestopt zijn. Zo legt Geert van Istendael de link tussen het gebruik van chemische wapens bij Ieper in 1917 en Ghouta in Syrië in 2013: ‘Dit heeft een hooggeleerde uitgevonden/ chemie verheven boven onze zonden/ Niets heeft de hypothesen afgewezen/ nu nog een laatste proef op alle fronten/ Wat boven de hoofden zweeft moeten wij vrezen’. En Charles Ducal laat, in het gedicht dat ik koos, zien hoe gemakkelijk we vergeten wat er gebeurd is en hoe onverschillig we staan tegenover het oorlogsleed op dit moment, elders in de wereld.
    Voor de dichters in deze prachtige bloemlezing is de taal een middel om aan een nieuwe samenleving te werken die zich bewust is van de gruwelen uit het verleden en zich niet blind toont voor wat er zich in de wereld afspeelt. Daarom is dit een boek dat de lezer wakker houdt, net als de oorlog zelf. (Cobra, Cobra.be, 10 april 2014)

  • Nu ook WO I-gedichten van Stefan Hertmans – door Michiel Leen, 31/03/2014 om 09:28: “Het nieuwste nummer van het poëzietijdschrift ‘Het Liegend Konijn’ trekt ten oorlog, met toepasselijke gedichten van Stefan ‘Oorlog en terpentijn’ Hertmans, maar ook van Charles Ducal en ander jong geweld.
    100 jaar geleden begon de Eerste Wereldoorlog, wist u dat? Het zal u misschien ontgaan zijn, maar er is dezer dagen heel wat om te doen hoor, om die oorlog. De laatste aflevering van ‘In Vlaamse velden’ ligt goddank alweer achter ons, maar het stapeltje ongelezen verse oorlogsromans op de salontafel wordt enkel groter. Toegegeven, om dààr nog nieuws van te maken, moet je al ’n hele straffe zijn. Nooit meer oorlog? Nooit méér oorlog, lijkt het wel.
    Ook het nieuwe themanummer van Het Liegend Konijn staat in het teken van… oorlog. Of wat had u eigenlijk gedacht? ” Jeetjemina”, dacht ik, het vuistdikke tijdschrift ter hand nemend, “hangt nu ook het Liegend Konijn in het prikkeldraad van niemandsland?”
    De scepsis die de overkill aan oorlogstopics teweeg brengt, ebt gelukkig gauw weg zodra je het nieuwe nummer openslaat.
    Het voorwoord van samensteller Jozef Deleu is een hommage aan Leo Vroman. Het motto van deze editie van Het Liegend Konijn is aan Vromans werk ontleend: de frase ‘alle malen zal ik wenen’ komt uit diens bekende gedicht ‘Vrede.’ (Kom vanavond met verhalen/ hoe de oorlog is verdwenen/ en herhaal ze honderd malen/alle malen zal ik wenen.) Van Vroman, die in februari van dit jaar op 98-jarige leeftijd overleed, brengt het Liegend Konijn drie gedichten, waarvan er twee gedateerd zijn in augustus 2013. Zelfs in de maanden voor zijn overlijden komt Vroman naar voren als een meester in zijn vak. In het gedicht ‘Ditmaal niet’ kijkt Vroman de demonen van vroeger nog eenmaal recht in het gezicht.Waarom ik naar een ramp verlang,
    Dat de lucht bijvoorbeeld opensplijt
    Om te zien of ik dan bang
    heen vlucht zoals indertijd.‘Ditmaal niet’ laat zich lezen als een oorlogsgedicht, maar suggereert tevens dat er liefde in het spel is. Liefde in tijden van oorlog? Of de liefde als blitzkrieg? Bij ‘een volgende keer’ gaan spreker en aangesprokene samen ten onder.
    Dichter(s) des vaderlands
    Dichter des vaderlands Charles Ducal geeft acte de presence met de cyclus ‘Zoveel stuk te maken.’ In enkele klassiek gestileerde vignetten overbrugt Ducal de 100 jaar tussen de noodlottige oorlogswellust van augsutus 1914 en de huidige herdenkingskermis. Ducal heeft niets met ‘het nostalgische vocht in longen en botten/het klaroengeschal van honderd jaar oud.’ De geschiedenis herhaalt zich voor onze ogen, vandaag marcheren ‘bloeiende knapen’ naar ‘Ituri, Aleppo of Khulm.’ Maar kan de huidige vloedgolf aan herdenkingen van de ‘Grote oorlog’ dat besef wel aanwakkeren, lijkt de dichter zich af te vragen.
    ‘Iemand noemde vrede een periode/waarin het bij anderen oorlog is’, lezen we bij Ducals Nederlandse ambtsgenote Anne Vegter, die twee bijdragen uit een ‘oorlogsalfabet’ aandraagt. Kerst – en nieuwjaarstaferelen worden versneden met oorlogsgruwel en shellshock. De wapenstilstand wordt afgekonidgd, maar in het universum dat Vegter oproept is vrede iets dat anderen overkomt, dat slechts bestaat wanneer de oorlog voor de verandering eens elders woedt. Onuitroeibaar.
    Hertmans (uiteraard)
    Een bloemlezing vol verse oorlogsgedichten is anno 2014 natuurlijk niet compleet zonder bijdragen van Stefan Hertmans. De gedichten die Hertmans hier presenteert, laten zich lezen als bijsluiters bij zijn magistrale oorlogsepos ‘Oorlog en Terpentijn.’ In de gedichtencyclus ‘Tervaete’ belandt de lezer opnieuw bij de rivierbocht aan het Ijzerfront die in ‘Oorlog en terpentijn’ zo’n grote rol speelt. In het gedicht ‘De oogst’ verandert een schijnbaar vredige, rurale wereld terloops in oorlogshel. Jonge rekruten belanden in een wereld waarvoor zij geen taal, geen beelden hebben. Ze kijken nog met de blik van de landbouwknechten die ze in vredestijd waren. Wanneer in dit gedicht de zeis maait, evoceert Hertmans met één pennentrek zowel nostalgie als oorlogsgruwel. Hertmans zet de dubbelzinnige semantiek van al wat met oogsten en maaien te maken heeft, in voor een maximaal effect. In één beweging van de zeis belandt men van bucolische idylle op onbekend terrein. Neergemaaid worden is plots, in die zomer van 1914, niet langer de halmen voorbehouden.
    Het gedicht ‘Het Wad’ verplaatst de lezer dan weer naar het heden. ‘De putten zijn gedempt/de stemmen ongeteld. Het slagveld van toen is toegedekt’, klinkt het. Wat is die oorlog ver weg, wat is het rustig aan die ooit zo strategische bocht in de rivier. “Vlaanderen mag blij zijn met de banaliteit die er vandaag heerst,” zei Hertmans nog in een interview met deze site. Dit gedicht herhaalt die boodschap.
    Jong geweld
    En het jonge geweld? Hoe kijken zij naar die oorlog, die ze enkel kennen uit de geschiedenisles? Of zoeken ze het in het heden? ‘De kraters zijn cryptokraters geworden,’ schrijft Lieke Marsman. Toch is het niet àl herdenking wat de klok slaat.
    Willem Bongers-Dek slaat nagels met koppen in zijn gedicht ‘De nieuwe palingsound.” ‘Ze leven in de grote stad/ beroven daar bejaarden/ ze eten de pensioenen op/ hun vrouwen dragen baarden//wij moeten nu de straten op/waar onze lente naakt/we hebben in Srebrenica/ een goed begin gemaakt’
    Vandaag is de taal van het conflict het populistische machtsmiddel bij uitstek. Bongers-Dek verwerkt het met panache in een strak geritmeerde rede.Luttele dagen voordat dit gedicht me onder ogen komt, werd in een Haags achteraflokaal geschreeuwd om minder!-minder!-minder! Marokkanen. Daags erop wordt dat kunstje door anderen nog eens overgedaan in Antwerpen. Bongers-Deks gedicht heeft, helaas, de vinger nauw aan de pols, en richt met zijn bijdrage de focus nadrukkelijk op het heden.
    Zonder clubjesgeest of coterie
    Het is slechts een kleine greep uit de selectie, die vers werk van meer dan 100 dichters omvat. Ook bij dit themanummer van Het Liegend Konijn blijft het adagium van redacteur Jozef Deleu – een tijdschrift zonder clubjesgeest of coterie – onverstoorbaar overeind. Zodoende zorgt het tijdschrift misschien wel voor de intelligentste, meest serene oorlogsherdenking uit het hele, overbeladen pakket. Alleen al daarvoor verdient deze editie van Het Liegend Konijn hulde.” (Knack, Knack.be – Boeken, 29 maart 2014)

2014-2

  • “Weer mooie jachttrofeeën… Er is toekomst voor de poëziefauna.” (De Morgen, 5 november 2014)
  • “Misschien wel de beste punchline…” (De Standaard, taalbijlage november 2014)

Knipsels en media